Auteursarchief: liliandaishin61

De schoonheid van verschil

De schoonheid van verschil

Een paar dagen geleden was ik met mijn oudste vriendin en haar moeder in de Hortus Bulborum, in Limmen. Dat is een bijna honderd jaar oud ‘archief’ van voorjaarsbollen. Meer dan vijfenveertighonderd soorten bollen hebben ze daar, uit een periode die inmiddels al meer dan vier eeuwen beslaat: de oudste dateert uit 1577. De tuin is daarmee uniek in de wereld. Elk voorjaar kun je er gedurende zo’n zes weken terecht om al die historische crocussen, hyacinthen, narcissen, tulpen en fritillaria’s te zien bloeien. Alles liefdevol onderhouden en toegankelijk gemaakt door vrijwilligers.

Het is zo’n verborgen schat, waar je een uurtje of uren zoet kunt zijn, afhankelijk van hoe vaak je met je camera op je knieën gaat om te proberen de schoonheid van een Poetica, Persica of Perfecta in een plaatje te vangen. Of juist het mooiste overzicht van de kleine veldjes met allerlei verschillende bollen. Want daarin verschilt de tuin van al die gewone bollenvelden: er zijn wel veldjes, maar geen eindeloze rijen van dezelfde kleur of soort. Tulpen staan wel bij tulpen, narcissen bij narcissen, fritillaria’s bij fritillaria’s, dus in die zin is er eenheid. Maar de kracht van de schoonheid van de Hortus zit hem erin dat de veldjes de enorme diversiteit van de soort laten zien. Van kleine, wilde tulpjes tot hoge enorme die eruit zien als puddinkjes of ballonnen. Enkelbladige, dubbelbladige, gefranjerde en strakke randjes, met of zonder strepen, strak rood of een subtiel kleurpalet van geel, roze, abrikoos. Een geheel van verschillen, waarin de vorm en kleur van de ene die van de andere extra doet uitkomen. Een vrolijk kleurtapijt waarin ieder zijn eigen plek heeft.

De dag erna zat ik met een groep van negen mensen in een ikigai-workshop. Negen totaal verschillende mensen, met elkaar aan één tafel verenigd in hun eigen, individuele ontdekkingstocht naar hun ikigai*. De kracht van het samen, goeddeels in stilte, bezig zijn brengt ieder dichterbij die goed verscholen ikigai dan ieder alleen voor zichzelf zou kunnen. Tegelijk is ieder er voor zichzelf mee bezig en zitten er aan het eind negen verschillende mensen met negen verschillende ikigai’s. Net zo’n vrolijk gekleurd ‘tapijt’ als van de tulpen in de Hortus. Diezelfde harmonie van eenheid en verschil.

Het doet me denken aan een voorval uit mijn middelbare schooltijd. We zouden met onze klas op werkweek naar Rome. Een paar meiden stelden voor dat we allemaal hetzelfde t-shirt zouden dragen – in die tijd was een bepaald soort gestreept shirt erg hip. In eerste instantie zag ik daar niet zoveel in: we zaten wel in dezelfde klas, maar zo’n eenheid waren we nu ook weer niet. Het duurde een tijdje, een paar meiden verschenen op school in zo’n shirt, iemand kocht er een in een andere kleur. En zo ontstond het toch: het zelfde soort shirt, ieder in zijn eigen kleurstelling, verscheidenheid in de eenheid. Een geheel met eigenheid. En tot slot een fantastische werkweek.

Ergens bij horen, deel uitmaken van een groep, en jezelf zijn. Er lijkt soms een flinke spanning te bestaan tussen die twee. Alsof het deel uitmaken van een grotere groep, een groter geheel, de eigenheid bedreigt of zelfs teniet doet. Of andersom: de eigenheid de eenheid bedreigt. De tulpenveldjes in de Limmense Hortus, de ikigai-workshop, de werkweek uit mijn jeugd – ze laten zien dat eenheid en verscheidenheid elkaar niet hoeven tegenstreven. De eenheid omvat de verscheidenheid, de verscheidenheid geeft de eenheid vorm en kleur. Wordt verscheidenheid uitgeroeid, dan ontstaat geen eenheid, maar uniformiteit. Daar moet je wel mee oppassen. Dan moet alles in dezelfde kleur en vorm, moet je allemaal hetzelfde denken en doen, ontstaat ‘groupthink’ en blinde vlekken. Gelukkig is zulke uniformiteit bijna niet voor elkaar te krijgen, zelfs niet bij bollen, zeker niet bij mensen. Gelukkig, want in verscheidenheid ontstaat ons leven, en onze wijsheid.

Koesteren dus, die verscheidenheid. Koesteren die Hortus, die het ons laat zien. Met alle kracht van haar schoonheid.

*ikigai is een japans begrip, te omschrijven als: datgene wat je in relatie tot de wereld en mensen om je heen ten diepste drijft.

Perspectief

Perspectief

In Japan, in Kyoto, ligt een oud zen-klooster: Ryoan-ji. Gesticht in de tiende eeuw en tot op de dag van vandaag beroemd om de zentuin: een zee van witte kiezels waaruit vijftien grote stenen oprijzen. Waar je ook staat te kijken langs de tuin, op geen enkele plek kun je meer dan 14 stenen tegelijk zien. Het is wel een ander samenstel van stenen dat je ziet als je een andere plek opzoekt om te kijken. Waar je ook staat, je ziet telkens een andere tuin.

Het is een prachtig symbool voor perspectief, en het menselijk onvermogen om ooit het totale plaatje te zien. Of die symboliek er bewust in gelegd is door de ontwerper van de tuin schijnt niet bekend te zijn, maar dat doet er niet echt toe. Ook dat is mooi symbolisch: we weten niet of deze interpretatie van de tuin waar is – het is een perspectief op het ontwerp. Net als het ontwerp zelf ons dus telkens een ander perspectief geeft op de tuin, afhankelijk van de plek waar je gaat staan.

Zelf ben ik jammer genoeg nooit bij die tuin geweest, ik ken alleen de verhalen en de foto’s op internet. Ook dat maakt niet echt uit, al zou het leuk geweest zijn het zelf te ervaren. Maar het mentale beeld alleen al werkt voor me. Want als ik met situaties wordt geconfronteerd waarin veel of sterk verschillende stukjes informatie op me af komen, en ik merk dat ik in verwarring dreig te raken, komt het beeld van de tuin van Ryoan-ji bij me op. Dat helpt me eraan herinneren dat al die verschillende stukjes informatie verschillende perspectieven vertegenwoordigen. Dat het er niet om gaat dat de een de waarheid vertegenwoordigt en de ander niet. Hooguit dat al die verschillende perspectieven samen een completer beeld geven van de situatie. Dat het onwaarschijnlijk is dat ik ooit het totale plaatje zal zien, een compleet beeld zal hebben. Want om de waarheid te vertegenwoordigen zou het beeld compleet moeten zijn, en voor iedereen, overal compleet hetzelfde. In de werkelijkheid van alledag lijkt dat een ideaalbeeld: mooi, mooi om naar te streven misschien, maar vermoedelijk niet haalbaar.

En om eerlijk te zijn weet ik eigenlijk ook niet of het echt zo mooi is om naar te streven. Is diversiteit niet rijker? Brengt ons dat niet meer? Dat gesprek wordt al een tijd lang gevoerd, op allerlei gebied, en er worden steeds meer perspectieven in ingebracht. Dat verrijkt het beeld in elk geval meer. Misschien wordt het moeilijker om je eigen positie erin te bepalen. Want dat is de moeilijkheid van perspectieven: je hebt dus niets anders meer om je aan vast te houden dan je eigen kijk. Dat kan wankel voelen.

Het idee dat iets waar is geeft houvast, daar kun je dan op terugvallen; een perspectief werpt je terug op jezelf. En hoe weet je dan wie er gelijk heeft, of je zelf gelijk hebt? Niet. Want de vraag wie gelijk heeft, is de vraag naar wat waar is. En die vraag verliest zijn geldigheid als je er van uit gaat dat we als mensen niet veel verder komen dan een perspectief. Dat kan heel erg helpen in situaties van sterk conflicterende perspectieven: je realiseren dat het niet gaat over gelijk hebben of de waarheid vertegenwoordigen. Het houdt je ook uit de idee dat je gelijk hébt of de waarheid vertegenwoordigt. Dat is in elk geval goed voor onze gemoedsrust en ons overleven, want het voorkomt oorlog.

Het perspectief van de ander zien als een perspectief, niet meer dan dat. Zo moeilijk! Vooral als het mijlenver afstaat van het jouwe, en je er niets in herkent. Het bevrijdende is wel dat het juist niet betekent dat je dat andere perspectief moet aanvaarden, het ermee eens moet zijn. Het is immers maar een perspectief. Je hoeft je er ook niet eens tegen te verzetten. Je kunt gewoon jouw perspectief er naast zetten, als een andere kijk. “Ik zie die stenen in de tuin.” “Oh? Ik die.” In koor: “Aha!” Zo ontstaat misschien wel wijsheid, in plaats van waarheid.

Moeilijk. Maar goed, dit is ook maar een perspectief.

Vluchten

Vluchten

“Inzicht is niet het resultaat van denken.” Dit mooie inzicht lees ik bij Thich Nhat Hanh, de Vietnamese zenleraar en activist die meditatie altijd ten dienste heeft gesteld van grotere sociale rechtvaardigheid, duurzaam en in vrede samenleven. Om zo te kunnen leven heb je inzicht nodig, en dat komt dus niet voort uit denken, maar is “een soort directe intuïtieve visie” die volgt uit diepe concentratie.

Intuïtie is een moeilijk fenomeen. Een fenomeen dat zich onttrekt aan begrijpen, aan verklaren. Het rijkt ons inzichten aan vanuit een diepte waar ons denken niet bij kan. Dat lijkt het al bij voorbaat verdacht te maken – immers, als ik het niet kan verklaren, begrijpen, kan ik het dan wel vertrouwen? De inzichten die het aanreikt zijn niet meetbaar en vaak niet toetsbaar, omdat ze dikwijls afwijken van gangbare ideeën. Zie Thich Nhat Hahn’s inzicht over inzicht: vaak wordt inzicht verward met kennis. Maar als het niet meet- of toetsbaar is, kan ik er dan wel op vertrouwen?

Mijn eigen ervaring is dat ik er altijd spijt van krijg als ik mijn intuïtie niet volg. Omdat ik er niet helemaal op durf te vertrouwen. Klopt het wel? Zie ik het wel goed? Mijn denken springt er handig tussen met deze vragen, en met redenaties waarom ik misschien wel beter zus of zo kan doen, want…..Volgen vele redenen waarom, want daar is ‘denken’ goed in: aanleveren van redenen waarom. En zo leidt dat denken mij met zachte hand weer weg van mijn intuïtieve inzicht, naar het zogenaamd veiliger gebied van wat gangbaar is, begrijpelijk, gemakkelijker. Naar het gebied waar ideeën over mezelf en de wereld niet op zijn kop worden gezet, waar ik me niet angstig of onzeker hoef te voelen, geen twijfel hoef te hebben, kortom: geen ongemak of onrust hoef te ervaren. Naar het gebied dus waar mijn zelfbeeld rustig kan overleven. Denkt het.

Tja. Helaas. Mijn denken kan denken wat het wil, de kracht van een intuïtief inzicht is zo sterk dat het zich niet meer laat onderdrukken. Althans, niet voor lang. Als ik mijn denken volg, in plaats van mijn intuïtieve inzicht, komt er onvermijdelijk een punt waarop het inzicht het denken het nakijken geeft. Want dat inzicht drukte me van meet af aan met mijn neus op de realiteit die mijn denken wilde ontlopen. “Noem eens een voorbeeld”, hoor ik je zeggen. Wel, ik heb dat gedaan met opdrachten die ik als zelfstandige aannam omdat er brood op de plank moest komen – dacht ik, viel meestal wel mee -, terwijl er ‘onder de oppervlakte’ al een zekere twijfel was of het wel haalbare kaart was wat opdrachtgever vroeg. Ik ben doorgegaan in relaties met mensen, terwijl het intuïtief al duidelijk was dat er veel te weinig ‘common ground’ was. Vanochtend was het omgekeerde aan de orde: mijn denken kon geen enkele reden verzinnen om op tijd op te staan in dat donkere, winderige weer, terwijl mijn lichaam nog slaperig aanvoelde. Gelukkig ben ik toch opgestaan, want korte tijd later realiseerde ik me dat ik om kwart voor negen een afspraak had. Daar kon ik me nu nog in alle rust op voorbereiden. Ik heb sinds ik niet meer werk enkele malen een vroege afspraak gemist omdat het denken over opstaan of blijven liggen de overhand kreeg. Bij dit soort kleinere dingen vloeit er niet direct bloed uit, maar in het kleine weerspiegelt zich het grote en daar kan het er wel degelijk veel toe doen.

Kunnen we zonder denken? Nee. Dit stukje zou er niet zijn als ik niet – ook – zou denken. Hoewel veel ervan behoorlijk intuïtief opkomt, is mijn denken wel actief betrokken in het verwoorden. Er zijn veel praktische zaken waarbij we ons denkvermogen nodig hebben, en we hebben het ook niet voor niets gekregen natuurlijk. Hoe organiseer ik mijn dag, hoe praat ik met mijn collega, hoe repareer ik die kapotte auto, hoe weet ik wat ik deze maand nog te besteden heb. Enzovoort. Allemaal vragen waarbij ons denken een rol te spelen heeft.

Maar als het bijvoorbeeld gaat om de onrust die ik ervaar, dat onbestemde gevoel; die onverklaarbare twijfel, de zorg of het verdriet om wat zich om mijn heen lijkt af te spelen: dan is denken maar al te gemakkelijk vluchten. Vluchten in het denken om maar weg te kunnen van dat ongemak. Vluchten in verklaringen, vluchten in plannen en dagdromerijen, vluchten in argumenten.

Soms wel even lekker. Maar uiteindelijk zuigt het het leven uit mijn leven. Want leven doe ik niet op de vluchtstrook. Leven kent geen ‘escape’. Leven vraagt inzicht.

Alleen maar dit

Alleen maar dit

vijf dagen retraite

in stilte zitten, lopen, eten, werken

alleen maar dit

met vijfentwintig mensen

onder een weidse lucht

nu eens bewolkt, nat

dan weer hemelsblauw en zonnig

groenten uit eigen tuin

zeven kilo boerenkool

snijden, wassen, rissen

krat na krat

geen plaats voor denken

handen weten wat te doen

alleen maar dit

wassen, rissen, wassen, rissen

het middagmaal, in alle rust

alleen maar dit

ze smaakt hemels, deze boerenkool

Samen-leving

Samen-leving

Op de Loesje-scheurkalender staat op zaterdag 2 oktober de tekst:

De Samenleving

Meedoen

is belangrijker

    dan winnen

Het is weer zo’n typische Loesje-tekst, die me als het ware even ‘stopzet’. Een tekst die erom vraagt er op te kauwen, en rustig te laten bezinken. Een tekst waarin in een paar woorden heel veel wordt gezegd. Eentje die tijdloos is, dus altijd iets te zeggen heeft als je naar je huidige omstandigheden kijkt. Eentje die indruist tegen de overheersende mores: “The winner takes it all”.

Alleen al de kop is de moeite waard om bij stil te staan. ‘De samenleving’ is zo’n begrip dat een volstrekte abstractie is geworden. Iets waar je van alles en nog wat aan kunt ophangen wat je mooi, of juist lelijk vindt. ‘De samenleving’ is verdeeld, verhard, jachtig, woelig – ga maar door. Alleen, die samenleving is niets anders dan de verzameling van ons mensen die dingen doen, of niet doen. Het is niet een ding op zich met allerlei kwaliteiten. Zonder ons mensen geen samenleving. Samenleving is letterlijk dat: samen leven. Dat klinkt heel logisch, maar het is iets wat je makkelijk vergeet als we spreken over ‘De samenleving’. Dan kan het zelfs iets lijken te zijn waar je buiten staat, en van een afstandje naar kijkt. Maar zo is het niet. Of ik het nu leuk vind of niet, puur door het feit dat ik leef, maak ik deel uit van ‘de samenleving’. En maak ik voor een deel die samenleving.

Het geeft al een heel ander gevoel als ik uit die kop het woordje ‘de’ weglaat: samenleving. En helemaal als ik een streepje zet tussen samen en leving: samen-leving. Dat doet meer stilstaan bij de daadwerkelijke betekenis van het woord, in plaats van bij die abstractie waar meestal als een automatisme over wordt gesproken. Nog beter is in feite gewoon te zeggen ‘samen leven’. Want dat is uiteindelijk waar het om gaat: we leven hier in dit huis, in deze straat, in deze wijk, in deze stad, in dit land, in deze wereld, simpelweg samen met allerlei andere mensen, dieren, planten, bomen, dingen. Vergeet niet de ‘dingen’: meubilair, vervoersmiddelen, voedsel, stenen, vulkanen, etcetera. Dat samen leven is iets wat we concreet doen, van seconde tot seconde, zo goed en zo kwaad als we kunnen; het is geen abstractie. Me dat realiseren houdt me in levende verbinding met al het andere om me heen, in plaats van de omgeving als een vanzelfsprekend decor te zien van mijn eigen leven. Mijn leven is samen leven.

Als ik er zo naar kijk doet in feite alles en iedereen al mee. Is er geen sprake van niet meedoen, van winnen of verliezen, want dat suggereert dat er iets of iemand kan worden uitgesloten. Dat is ten diepste onmogelijk: alles wat, en iedereen die, nu op deze planeet aanwezig is leeft er samen. Dat ik me daarvan niet aldoor bewust ben is vooral de beperking van mijn waarnemingsvermogen, ik kan niet tegelijkertijd zien, horen, voelen e.d wat zich hier in Heiloo en in Kaapstad en Canberra afspeelt. Dat beperkte waarnemingsvermogen kan wel leiden tot de misvatting dat, omdat ik hier ben en zij daar, wij niet samen-leven. En dat dus iemand hier niet meedoet, of mee mag doen. Een beetje zoals pesten op het schoolplein. Dat ik, als ik harder loop, iets win, en anderen verliezen.

Dat mijn waarnemingsvermogen beperkt is is een gegeven waar ik niet zo veel aan kan veranderen. Wat wel beïnvloedbaar is, is de mate waarin ik me bewust ben van die beperktheid: dat ik nooit, hoe hard ik dat ook probeer, het hele plaatje zal kunnen overzien. Zelfs niet vanuit een raket in de ruimte. En juist het besef van de beperktheid van ons menselijk waarnemingsvermogen helpt om een grote valkuil te zien opdoemen. De valkuil die ontstaat als je je realiseert dat leven al samen leven ís, dat niets en niemand uitgesloten ís, dat er geen winnaars en verliezers zíjn. De valkuil dat er dan dus eigenlijk niets gedaan hoeft te worden, dat het niet uitmaakt of je iets doet, of wat je doet. Het besef van de beperktheid van ons menselijk waarnemingsvermogen doet beseffen hoe makkelijk we kunnen dénken dat we andere mensen buiten kunnen sluiten. Dat ‘ze’, als ze maar hard genoeg werken, ook ‘winnaars’ kunnen zijn in plaats van ‘losers’ omdat ze niet aan een bepaald beeld van ‘succes’ voldoen. Dat we maar al te makkelijk kunnen dénken dat we ‘winnaars’ moeten zijn. Dat we kunnen dénken dat ‘meedoen’ vanzelfsprekend is, of wenselijk, of voor iedereen gegeven. Ongeacht de omstandigheden waarin ze leven.

Ja, ten diepste doen we allemaal al mee. En juist dat stelt de eis aan mij dat ik me bewust probeer te blijven van dat feit en geen grenzen opwerp in mijn denken en handelen aan anderen. Daartegen waarschuwt Loesje.

“Helemaal zen”

“Helemaal zen”

Zo ziet een kopje

Zorgeloos eruit.

Zo heet ’t echt, de thee.

En ze smaakt heerlijk.

“Helemaal zen, met Zorgeloze thee”

zei de aardige jonge vrouw die het mij bracht.

Toen ze hoorde dat ik zen meditatie groepen begeleid

lachten we beiden.

“Dat kan ik ook wel gebruiken”, zei ze.

Beschutting

Beschutting

Het leuke van een nieuwe woonplek is dat er weer van alles te ontdekken valt. Je kunt je omgeving verkennen: waar ben ik? Walt valt hier te zien, te horen, te ruiken, te voelen? Dat oriënteren draagt bij aan het gevoel thuis te komen. En naarmate je ergens langer bent, kan dat te verkennen gebied zich uitbreiden. Je vertrouwde, veilige plek wordt zo steeds groter. En vervolgens blijf je daarin je rondjes lopen, fietsen of autorijden. Zodat het ‘eigen’ blijft en je de veranderingen die er onvermijdelijk plaats vinden geleidelijk ook absorbeert als ‘eigen’: dit is het nú. Wat dat betreft verschillen we misschien niet zo veel van dieren. We hebben allemaal een territorium.

Bij het verkennen van mijn nieuwe woonplaats treffen me regelmatig parallellen met mijn voormalige. Dat gevoel van herkenning maakt het thuiskomen hier eenvoudiger. Niet àlles is anders. De overeenkomsten doen de verschillen meer oplichten. Die kan ik, zo lijkt het, daardoor beter waarderen.

Een van de overeenkomsten is dat ‘mijn’ beide dorpen gesierd worden door een eeuwenoude lindeboom. In Oisterwijk staat hij middenin het centrum, achter het oude raadhuis. Hij gaat terug op de 14e eeuw, en was ooit een plek waar recht gesproken werd. Nu staat hij er, het takkengestel ondersteund, imposant te zijn; en biedt schaduw en een beschutte, rustige plek om even op adem te komen en te genieten van de mooie borders en de vijver die ervoor liggen. De huidige boom is een vernieuwingsboom die spontaan uit het vermolmde hart van de oude is gegroeid. Alsof dat oude boomleven letterlijk uiteen is geweken om ruimte te bieden aan het nieuwe. Een verjonging van binnenuit. Daar kan je dan zitten, met je ijsje, in de 21e eeuw, onder al die eeuwen levende geschiedenis. Wat een kracht…

 In mijn huidige dorp Heiloo staat de linde in het bos, op een heuvel: de Kattenberg. Oftewel Mont Mauw – de naam die hij verkreeg omdat het een geliefd vakantie-uitstapje was in de vele jaren dat vakanties nog vooral in de eigen omgeving werden gevierd. Het is een door mensen gemaakte heuvel natuurlijk, in dit platte Noord-Hollandse land. Opgeworpen met het zand uit de uitgegraven vijver van het huis Nijenburg dat er tegenover ligt. Dat is zo’n 3 eeuwen geleden gebeurd en de linde dateert ook uit die tijd. Het is haar aan te zien. Een prachtige, doorleefde stam, een imposant takkengestel dat fier omhoog de lucht in steekt, alsof ze de lucht wilt omarmen. Een plek die beschutting biedt voor zon en regen, waar je oog kan dwalen en je oor het geluid van kwetterende vogels en kinderen gefilterd door het lindeblad opvangt. Ook deze linde is dus, stevig geworteld in en ééngeworden met haar berg zand, al eeuwen de stille getuige van het leven dat zich rond haar voltrekt. De stille gever van schaduw en beschutting. Een uiting van eeuwigheid die een gevoel van geborgenheid kan geven: ze is hier en je kunt er altijd heen. Haar tijdloosheid geeft haar een eerbiedwaardige kracht. Dat je naar haar moet opklimmen draagt daar aan bij.

Er is een mooi taoistisch verhaaltje over zo’n oude boom. Het heet: de waarde van nutteloosheid. Het vertelt hoe de wijze Lao Tse met zijn leerlingen op reis was en bij een bos kwam waar houthakkers bezig waren alle bomen om te kappen. Eén hele grote boom, met een enorm takkengestel dat schaduw kon bieden aan wel honderd mensen, stond echter nog overeind. Toen ze de houthakkers vroegen waarom die boom niet gekapt was antwoordden ze dat de boom volstrekt nutteloos was: hij was zo krom en vol knoesten dat je er niets van kon maken; zelfs geen brandhout omdat hij schadelijke rook af zou geven. Daarom lieten ze hem staan. Lao Tse vond het prachtig en zei zijn leerlingen: “wees zo’n boom, dan heb je van niemand iets te vrezen. Als je keurig recht bent of er mooi uitziet zul je omgehaald worden, koopwaar worden. Als je bent als die boom, totaal nutteloos, dan zul je hoog en breed uitgroeien en duizenden mensen zullen schaduw bij je vinden.”*

Als ik bij de oude lindes zit voel ik die kracht. De kracht, en de waarde, van totale nutteloosheid. Hoor ik Lao Tse: gewoon alleen maar hier staan en uitgroeien, hoog en breed, en duizenden zullen schaduw bij je vinden. Dat is de lindes, en Lao Tse, gelukt. Al eeuwenlang.

Structuur

Structuur

Wat doe je als je niet kunt doen wat je zou willen doen? Dat is de vraag die zich ineens aandient terwijl ik wat peinzend voor me uitstaar vanochtend in voorbereiding op deze blogpost. Het is een vraag die ik, in allerlei vormen en maten, de afgelopen dagen voorbij heb zien komen, bij mij zelf en bij anderen. Niet persé zo expliciet benoemd natuurlijk. Meestal uit het zich in een vorm van verzet. Verzet tegen wat er moet, verzet tegen het niet kunnen wat je zou willen. Openlijk verzet, stil verzet. Bewust verzet, onbewust verzet.

Voorbeelden hoef ik eigenlijk niet te noemen, je hoeft niet ver te zoeken om ze te zien. Corona-maatregelen, kabinetsformatie, de (af)was, je werk of juist geen werk. Energietransitie die diep ingrijpt in het dagelijks leven, omdat je bedrijf over moet op een andere productiemethode die veel geld kost en je winst dus gedrukt wordt. Of omdat je je (af)wasmachine moet laten draaien op het moment dat de zon schijnt, omdat dan je zonnepanelen stroom geven. Het te druk hebben en daar iets aan willen doen, maar geen tijd hebben om te niksen. Jarenlange gewoontes gaan op de schop. Als mij dat overkomt denk ik niet direct: ‘Ha fijn!’ En ik ben, denk ik, niet uniek daarin.

Want mijn gewoontes geven structuur aan mijn leven. Net als mijn werk dat deed. En de manier waarop mijn sociale leven vorm kreeg toen ik nog ver van mijn familie vandaan woonde en werkte. Alles is in relatief korte tijd op de schop gegaan en dat desoriënteert. Eigenlijk ontstaat er chaos. In mijn geval vrijwillig, omdat ik het anders wilde en de mogelijkheid zich aandiende. Ik heb het dus zelf over me heen gehaald. Als je er onvrijwillig aan onderworpen wordt kun je tenminste nog naar iets of iemand anders wijzen als de veroorzaker.

Maar of je gewoontes, je structuur, nu vrijwillig of onvrijwillig overhoop gaan, het effect in je leven is hetzelfde. Chaos. Onrust. Gedoe om het weer op orde te krijgen. Moeite. Emoties als het niet, nog steeds niet, gaat zoals je wilt. Verlangen naar vroeger, want toen ging het goed. Oh ja? Verwarring. Puinhoop. Verzet. “Het moet anders.” “Had ik net gedaan.” “Pfffffffff……..ik weet het niet meer.”

En dan is het ook nog gewoonte om die ongekuiste versie die zich in je hoofd afspeelt netjes te verwoorden in rationele, logische zinnen, die laten zien dat het ondertussen wel goed gaat. “We hebben uitstekende gesprekken gehad, maar de omstandigheden van de laatste dagen hebben de situatie wel gecompliceerd.” “Ik ga er even tussenuit voor een reset. Heerlijk!” Maar ondertussen….En die ander die het heeft veroorzaakt lost het ook al niet op.

Verandering in je gewoontes, je structuur, is ontzettend moeilijk, verzet veel logischer maar doodvermoeiend. Het is een beetje alsof je tegen een draaikolk in probeert te zwemmen, zoals blijkt uit een Taoistisch verhaaltje. Beweeg erin mee, en je komt vanzelf weer boven, zonder al te veel energieverlies. Het lijkt onlogisch je over te geven aan een draaikolk, zoals veel taoistische en zen-wijsheid onlogisch lijkt. Maar ja, logica gaat over verstand, en wijsheid gebruikt meer dan alleen verstand.

Tegelijkertijd is wijsheid alleen ook niet voldoende als je structuur verandert. Ik heb bijvoorbeeld moed en geduld nodig – of liever het voornemen en de lange adem – om met die draaikolk mee te bewegen. Toewijding dus. En vooral: heel veel mededogen. Mededogen jegens mezelf. Omdat het moeilijk is. Omdat ik telkens weer terugval in mijn oude gewoontes. Omdat ik nu eenmaal een mens ben, inclusief een behoefte aan structuur.

Ik prijs me gelukkig dat in alle verandering in mijn leven, één gewoonte altijd overeind blijft, een gewoonte die een basisstructuur biedt waarin al het andere overhoop kan gaan en ik niet hoef te weten hoe het verder moet. Dat is mijn meditatie-oefening. Eén of twee keer per dag twintig of vijfentwintig minuten op mijn meditatiekussentje houdt me stabiel aan het meebewegen en brengt me telkens terug in contact met de zinderend stille ruimte die er doorheen de chaos is. Terug in contact ook met het mededogen jegens mezelf dat ik zo nodig heb in mijn terugkerend geworstel. Terug in contact met het mededogen jegens anderen als ik ze zie in hun terugkerend geworstel. Zonder de structuur van die oefening gaat dat niet. Die is ‘goud’. Want zonder mededogen redden we het in het leven niet.

Wachten

Wachten

Al dagen speelt het woord ‘wachten’ door mijn hoofd. Eerst omdat ik het gevoel had dat ik zat te wachten, op ‘iets’ waarvan het natuurlijk volstrekt onduidelijk was wat het was. Vervolgens leek het me een mooi onderwerp voor dit blog. Maar ook wel moeilijk. Moest ik dat wel doen? Een post op Facebook gisteren, met een indringende foto en korte tekst over ‘wachten’, gaf de doorslag. Ga die moeilijkheid maar aan. Kijk maar of je ‘wachten’ kunt uitlichten met woorden.

De foto op Facebook toonde ‘wachten op de trein’. Het wachten heeft een duidelijk doel en duurt, als alles meewerkt, niet al te lang. In zo’n wachtperiode sta je misschien even bij te komen van de dag, te sudderen op wat je hebt meegemaakt, te kijken naar de maan, of op je telefoon. Dat laatste wel vaak – dan lijkt het wachten te worden opgevuld opdat het geen wachten hoeft te zijn. De Facebook-post vulde dat allemaal niet in, maar liet ruimte voor alle verhalen die je bij zo’n foto kunt verzinnen. En bij ‘wachten’.

Het eerste wat bij mij, al voor de Facebook-post, opkwam was het toneelstuk van Samuel Beckett: Waiting for Godot. Een paar jaar geleden zag ik dat als film. Het maakte diepe indruk. In een vrijwel leeg decor wachten twee vrienden op meneer Godot. Aan het einde van elke dag komt er iemand vertellen dat hij vandaag niet komt, maar morgen zeker. Dus wachten ze weer. Dag in, dag uit. In dat lege decor is er niets waarmee ze in een aangenaam verpozen het wachten kunnen verzachten. Af en toe komt er iemand of iets langs wat tijdelijk voor afleiding zorgt, maar wat ze niet afbrengt van hun wachten. Ze verzinnen zelf ook van alles, zelfs een plan tot zelfmoord vanwege de zinloosheid die het wachten bij ze oproept. Maar niets wordt volbracht, ook de zelfmoord niet omdat de een de ander moet helpen en dat niet meer kan als er al eentje dood is. Dus wachten ze maar door. Er komt geen eind aan dat wachten.

Wat me het meeste trof terwijl dit verhaal zich op het doek voor mij afspeelde was dat in al die leegte – van het decor, van het verdrijven van en verwijlen in de tijd –, dat in al die leegte intussen, van moment tot moment, het leven van deze twee vrienden zich ontvouwde. In alles wat ze deden en niet deden, zeiden en niet zeiden, toonden en niet toonden. Maar zij leken zich er niet van bewust, want waren te zeer gefocust op hun wachten op meneer Godot. Die maar niet kwam. Van wie het niet eens duidelijk was of hij ooit wél zou komen, of zelfs maar bestond.

Zo herkenbaar….Denken dat er eerst iets moet gebeuren voordat je verder kunt. Dat het dan in orde komt. Daarop gaan wachten. En dan niet meemaken wat er zich intussen allemaal vlak onder je neus aan het afspelen is. Zo beschouwd is er nooit ‘lege tijd’, want er speelt zich altijd wel iets af. Maar (be)lééf ik dat ook, is die verbinding er? Het duidelijkst kan ik dat merken tijdens het mediteren. Twintig à vijfentwintig minuten zo stil mogelijk zitten en me concentreren op mijn adem, tellen of een woord. Mijn brein blijft daardoor niet lang geboeid. Dat dat ook de bedoeling is wil het maar al te graag vergeten. Dus gaat het op zoek naar afleiding; of gaat zitten wachten ‘tot het tijd is’. Dat laatste is het ergste, want dan voel je echt elk ongemakje in je lijf en kan de onrust tot grote hoogte stijgen. Duurt het nog langer. Blijven zitten lijkt zinloos.

En toch is dat het enige dat kan doen inzien dat het probleem niet zit in het ‘zitten’, maar in het ‘zitten wachten’. “Sit! Do not sit and wait, but sít!” kreeg ik eens te horen van een leraar. Het was niet leuk, maar hij had zó gelijk. Want zitten wachten tot het tijd is, of tot er ‘iets gebeurt’ – een mooi inzicht of eindelijk die verlichtingservaring bijvoorbeeld – beneemt het leven aan het leven dat zich van moment tot moment, in elke ademtocht, ontvouwt. Dat is wonderlijk genoeg voor iemand die al op haar tweede bijna te lang geen adem meer kreeg. Maar als je er bij stilstaat hoeveel er in één ademtocht in de wereld gebeurt: kinderen worden geboren, mensen gaan dood, er worden prijzen gewonnen en verliezen geleden, vrienden komen langs of blijven weg, er wordt eten klaargemaakt en honger geleden, er worden bomen gekapt en een bijna dode roos komt terug in bloei….Dat is toch méér dan wonderlijk genoeg om je het wachten te doen vergeten?

Rust

Rust

Als ik mensen vraag wat hun associatie is bij ‘zen’, dan zeggen de meesten: Rust… Meestal met een verlangen in hun stem dat zegt “dat wil ik ook wel”. En soms een zekere spijt die uitdrukt “dat lukt mij niet.”

Het is een logisch antwoord: de plaatjes die we voorbij zien komen in combinatie met het woord zen wekken dat beeld op. Veel ruimte en schoonheid, weinig spullen, weinig mensen – en alles en iedereen ziet er heel sereen uit.  ‘Zen’ is een woord geworden dat kan omschrijven dat je je relaxed voelt, lekker zit te chillen. Een woord dat gebruikt wordt voor van alles en nog wat dat niets met zen te maken heeft, maar uitsluitend met dat beeld van ‘rust’.

Is daar iets mis mee? Nee, niet persé. Brengt zen geen rust? Ja, dat kan het wel brengen. Maar dat doet het, zoals iedereen die met zen begint ontdekt, op een heel andere manier dan je zou verwachten. Men verwacht meestal dat die eindeloze gedachtenstroom, dat ‘gekakel in de kop’, stopt en dat zo de rust komt. Niets is minder waar.

De paradox in de zen beoefening is dat die gedachtenstroom zelf niet het probleem is – die is er gewoon. Net als het fluiten van de vogels, het ruisen van de wind en de verwarming, het motorgeluid van voorbij komende auto’s, vliegtuigen en traktoren in de nacht. De rust komt als je je, plat gezegd, niet zoveel gelegen laat liggen aan die gedachtenstroom. Als het besef tot je doordringt dat het maar gedachten zijn waar je niets mee hoeft. Want de impuls om op alle gedachten te reageren is veel meer wat de onrust genereert, niet zozeer de gedachte zelf. Rust ontstaat als het lawaai van buiten en van binnen je niet meer zo stoort. Zoals een mede zen-beoefenaar eens demonstreerde toen hij op het busstation naast een stationair draaiende bus ging zitten mediteren. De tweede paradox is dat als het gekakel in je hoofd je niet meer zo stoort, het vanzelf ook minder wordt. Nog meer rust dus.

Gaat het in zen om die rust? Het is geen doel op zich, wel een aangenaam bij-effect, en een hulpmiddel. Aandachtig en bewust leven, gewaar zijn wat zich voordoet en daar mee kunnen omgaan op een manier die heilzaam is voor jou en je omgeving – dat vermogen ontwikkelen is veel wezenlijker. Dat lukt natuurlijk beter naarmate je gedachten je minder afleiden en je rustiger bent.